Hofdanser en choreograaf Miroto ‘Elke mens een schaduw’

door GERARD MOSTERD


Yogyakarta, donderdag 3 Januari 2002. Na rustig te hebben ontbeten met toast en thee op het prachtige geluid van een gekooide beo in de lege openlucht eetzaal van hotel Kirana aan de Jalan Prawirotaman, loop ik naar de aangekondigde gast bij de receptie. Een goed uitziende, middelgrote Javaan met een prinselijke uitstraling zit geduldig op een bankje, met gebogen hoofd. Omdat ik zelf danser ben, ontdek ik in hem onmiddellijk een collega-danser. Universele herkenning: de bewuste manier van bewegen of het nu gechoreografeerd is of niet; een echte danser beweegt altijd als een danser. Ik heb mijn eerste ontmoeting met de Yogyakartaanse hofdanser en choreograaf Martinus Miroto.

IDYLLISCH

Dagelijks verblijf ik in Miroto’s pendopo tussen de verkoelende palmbomen, sawah’s en de kraaiende hanen, net buiten de stad in de desa van Banyuraden. Er wordt hard gewerkt. Zwetende lichamen, geconcentreerde muzikanten en acteerprestaties. De dansers en musici repeteren vanaf twee uur ‘s middags en eindigen vaak om elf uur ‘s avonds. Enkele deelnemers werken tegelijkertijd nog in andere projecten mee, zoals danser Mugiyono in de heropvoering van Sardono’s Diponegoro-project over de Java-oorlog.
Tussen de repetities door kunnen sommigen hun dagelijkse moslimgebeden uitvoeren in de musholla achter in de speelplaats. Daarachter kabbelt een idyllisch riviertje tussen lichtgroene bamboestruiken: het is de noodzakelijke douche voor na de repetitie. Enkelen komen met de brommer uit Solo, ongeveer zestig kilometer verderop. De rest komt uit de omgeving van Yogya, waaronder de begaafde jonge poppenspeler Seno Nugroho, nu al beschouwd als een van de beste dalangs en net als de anderen behorend tot een oud podiumkunstenaargeslacht.

TRADITIE EN VERNIEUWING

Al eeuwen wordt er op Java een onderscheid gemaakt tussen enerzijds muziek speciaal gemaakt voor dans en anderzijds muziek als luisterconcert of speciaal voor een wajangvoorstelling. Miroto koos er in deze productie voor om bestaande muziek te gebruiken voor specifieke wajangvoorstellingen en concertmuziek. Het resultaat is een multimediaproductie met wajang kulit (leren schaduwfiguren), wajang wong (met maskers), gamelan, zang, dans en toneel. Door beproefde, traditionele technieken en concepten te beheersen en toe te passen, creëert hij een nieuwe voorstelling waarin hij zijn eigen visie projecteert op een bestand thema.
Gebruikelijk is dat dansers tevens musici, zangers en poppenspelers zijn. Zo ook Miroto. Een bijzonder veelzijdig métier dus, met als leidraad het doorgeven van de rijke, antieke Vedische hindoe-epen, waaronder Ramayana en Mahabharata.
De hindoe-epen zijn generatie op generatie als voorstellingen naar het podium blijven komen, vanuit het Sanskriet (oud-Indiaas schrift) via het Kawi (oud-Javaans schrift). Daarmee blijft ondanks de islam als officiële hedendaagse godsdienst, een van de oudste religies uit India nog zeer levendig in de Javaanse cultuur geworteld.

Een week lang trek ik met Miroto en zijn dansers op om de repetities van zijn nieuwe voorstelling Dancing Shadows te volgen die eind maart op het Wereld Muziektheater Festival in verschillende Nederlandse theaters te zien zal zijn. Ik zag de eerste dertig minuten van de voorstelling als unieke preview

DALANG

De dalang – de verhalenverteller die de poppenfiguren tot leven brengt – is de meest centrale figuur in het wajanggebeuren. Zo ook in Miroto’s voorstelling Dancing Shadows. De dalang is verantwoordelijk voor het verloop van de gebeurtenissen en heeft als zodanig de macht van de hoogste godheid. Hij vertelt in deze productie de oeroude mythologische geschiedenis van hoofdgod Bathara Guru (Shiva) die tijdens een onstuimig transport door de hemel op een heilige witte stier, uit pure wellust, zijn echtgenote Uma (Parwati) verkracht. Het daaruit voortgekomen zaad komt in zee terecht en daaruit ontstaat een gedrocht dat uiteindelijk leeft van mensenvlees: Bathara Kala. Moeder Uma, die zich kansloos had verzet, wordt door Shiva uit het godenrijk verbannen. Bovendien wordt zij net als haar zoon vervormd tot het onwezen Durga, als zij Shiva erop wijst dat zij beiden dit monster hebben verwekt. Geagiteerd geeft Shiva haar de schuld: haar aanblik heeft hem verleid, opgewonden en tot deze impulsieve daad gedreven, is zijn argument. Zij is de zondaar volgens hem, niet hij. De vrouw als slachtoffer van mannelijke lust. Daar begint volgens Miroto het onrecht dat de vrouw door de man is opgelegd. Verslagen daalt Uma neer naar de aarde en zoekt troost bij haar mismaakte zoon. Ze legt hem uit dat hij een onsterfelijke god als vader heeft en maant hem deze op te zoeken. Uiteindelijk accepteert Shiva het afzichtelijke wezen als zijn bloedeigen schepsel. Hij begrijpt dat het zich met mensenvlees moet voeden om in leven te kunnen blijven, maar dan alleen van mensen die zonden begaan hebben. Deze voorwaarde betekent dat praktisch iedereen slachtoffer kan worden van de vraatzucht van Bathara Kala. Om een goed oordeel te kunnen vellen over wie er nu geschikt is om echt gegeten te worden, stuurt Shiva zijn eerste, uit liefde geschapen goddelijke zoon Vishnu, beschermer van recht en waarheid, mee met Kala naar de aarde. Sindsdien wordt de mens continu gadegeslagen door twee krachten: de goede en geneeskrachtige gerechtigheid in de gedaante van Vishnu, en het verleidende kwaad in de gedaante van Kala. De één wil de mens redden, de ander hem juist verslinden.

RUHATAN

Het oude Javaanse zuiveringsritueel; de nog regelmatig uitgevoerde ruhatan is tevens geïntegreerd in deze voorstelling. Als mystieke ceremonie met heilige, zeer oude formules, waarschijnlijk animistisch en dus vóór-hindoeïstisch van oorsprong, beoogt deze de afwending van het kwaad en vooral het wegwassen van de zonde. Het wordt nog steeds in het hedendaagse Indonesische dagelijkse leven toegepast door Javaanse imams, katholieke priesters, dukuns en, zoals in deze voorstelling, door de dalang.  Miroto’s dansrol is die van het wajangkarakter Sang Hyang Wenang, degene die Durga helpt om terug te transformeren, via een ruhatan, tot haar oorspronkelijke gedaante Uma. Als theatermaker verandert hij het bovengeschetste oude verhaal in een eigen versie, focust op leven en dood van Uma/Durga en geeft Kala een Oedipus-complex. Kala luistert niet naar Shiva en wil zich wreken door zijn vader en het paradijs te verzwelgen. Een vermoedelijk rampzalig einde dus.

DROOM

Tot zover iets over de achterliggende gedachtegang en inspiratie van Dancing Shadows .Wat ik prettig vind, is dat Miroto de traditie van het expliciete, verhalende danstheater voor een groot deel loslaat. Hij abstraheert de mythologische en mystieke gegevens naar tot de verbeelding sprekende, dansante en schilderachtige taferelen. Op zijn manier wordt het, voor sommigen ingewikkelde thema, wel af en toe aangeraakt, maar uiteindelijk heb je het idee dat je in een surrealistische droom terecht bent gekomen. Een droom vol exotische, mysterieuze verwijzingen en fantasie, met een specifiek oosterse spanningsboog van verstilling en soberheid, zoals in het Japanse theater van de Bugaku en Nô-traditie. Het verhaal en de achtergrond zijn niet van levensbelang om toch geïnteresseerd te kunnen blijven in wat er te zien en horen valt. Je hoeft dus gelukkig niet in het programmaboekje te lezen. Ook vond ik het geen noodzakelijkheid om het gezongen en gereciteerde oud-Javaans te kunnen verstaan.

Traag Tempo
Miroto begon als kind, in de jaren zeventig, met de studie van klassieke Javaanse dans aan verschillende instituten. Onder andere het Indonesisch Dans Conservatorium (KONRI) in Yogya met bekende, inmiddels overleden docenten als Sasmintadipura en Sunartomo; het Jakarta Instituut voor de Kunsten (IKJ) en het Indonesian Institute of the Arts (ISI), ook in Yogya, waar hij inmiddels als docent aan verbonden is. Bij laatstgenoemde opleiding leerde hij de enkele jaren geleden overleden, legendarische danser Ben Suharto kennen. Een zeldzaam en invloedrijk talent die met zijn ongekende halus – verfijnde – interpretatie van prins Arjuna de harten van het publiek stal. Miroto spreekt met diep respect over hem.

Het traditionele, klassieke Javaanse repertoire leerde Miroto via zijn meesters grondig kennen, een verzameling dansen met een uitgekristalliseerde techniek waarbij uiterste concentratie gevergd wordt van performer en toeschouwer vooral vanwege het, voor westerse normen, vrij trage tempo.  Sierlijke, hoekige houdingen en subtiele, contemplatieve hoofd-, vinger-en handbewegingen geïnspireerd door beelden van duizenden jaren oude hindoegoden en spirituele doctrines worden hier aaneengeregen in een verstilde voortgang op bezwerende gamelanmuziek.

Yogya en Solo
Net als het academische klassieke ballet zijn oorsprong heeft in de zeventiende-eeuwse feodale hoven van Europa, zo hebben de klassieke Midden-Javaanse dansen hun wieg staan in de oude kratons van sultan Hamengku Buwono en van de Paku Alam in Yogyakarta naast die van susuhunan Paku Buwono en prins Mangku Nagoro in Solo. Hoewel veel van de dansen een nog oudere oorsprong hebben (het veertiende-eeuwse hof van het Javaanse hindoekoninkrijk Majapahit) was het in deze aristocratische plaatsen dat ze geconserveerd werden en er belangwekkende nieuwe stijlen en repertoires bij kwamen. Alle bewegingscomposities zijn stilistisch verfijnd, soms abstract, maar altijd weer met het accent op langzame, geconcentreerde beweging zoals in de Serimpi en Bedoyo dansen. Dit in tegenstelling tot de meer dynamische dansstijlen en muziek van bijvoorbeeld West-Java (Topeng Cirebon, Ketuk-Tilu en later Jaipongan) of Bali (Legong, Joged, Baris en Kebyar). De klassieke stijl uit Yogya is iets robuuster en mannelijk vergeleken met die uit Solo. Solose dans is vloeiend, zacht en geraffineerd vrouwelijk. Maar in een eerste oogopslag lijken alle kratonstijlen op elkaar. Ze maken natuurlijk deel uit van dezelfde traditie.

Europa en Amerika
Miroto behoort tot een nieuwe generatie choreografen die zich het eeuwenoude theater hebben eigengemaakt, het repertoire kennen en er iets nieuws mee proberen te doen. Daarmee volgt hij de lijn van zijn veel oudere stadgenoot en leraar Bagong Kussudiardja. Kratondanser en choreograaf Kussudiardja studeerde bij Martha Graham, godmother van de Amerikaanse moderne dans. Al in de jaren zeventig integreerde hij deze ervaringen in het klassieke Javaanse dansmateriaal. Dankzij een beurs kreeg Miroto de gelegenheid om aan de Duitse Folkwang Schule in Essen te studeren en Pina Bausch te leren kennen.

In 1987 was hij op het Holland Festival te zien in haar productie Victor . Door zijn studiebeurs aan de UCLA in Los Angeles kwam Miroto in contact me docent Peter Stellars, de nog steeds internationaal spraakmakende regisseur. Ze werkten samen in de producties De Perzen en Bijbelse stukken.  Laatstgenoemde voorstelling is ook te zien geweest bij de Nederlandse Opera in Amsterdam.  De ontmoetingen met eigentijdse westerse theatermakers zijn vanzelfsprekend van invloed op Miroto’s eigen aanpak. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in het fragmentarisch invoegen van eigenzinnig, expressief dansmateriaal.

Naast het lesgeven en maken van nieuwe voorstellingen leidt Miroto workshops voor lichamelijk gehandicapte kinderen. In 1996 ontving Miroto de Sultan Hamengkubuwono X-trofee als beste danser van verfijnd karakter in de koninklijke hofdansstijl tijdens de Wajang Wong competitie in Yogyakarta. in ’98 werd hem een erecertificaat overhandigd van het Indonesische ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Diverse internationale dansstudiebeurzen vielen hem ten deel naast prijzen voor zijn choreografieën.

BATHARA KALA

Terug in Miroto’s pendopo in Banyuraden. Over mijn vraag waarom het stuk Dancing Shadows (Wajang Wajang Menari) heet, denkt hij even na en zegt dan met fronsende wenkbrauwen: ‘In de Javaanse wereldbeschouwing is elke mens een schaduw en achter die schaduw gaat altijd een of andere dalang schuil. Of je nu onbelangrijk bent of Bush, Bin Laden of Megawati heet, je kunt niet om de poppenspeler heen. We zijn tenslotte allemaal onderdeel van één of meerdere verhalen. Dansende Schaduwen heeft betrekking op mijn voorliefde om het medium dans op het toneel te gebruiken. Ik ben uiteindelijk een klassieke Javaanse danser.’ Tijdens ons laatste gesprek zit Miroto in kleermakerzit. We drinken hete teh manis, terwijl iedereen zich klaar maakt voor de volgende repetitie.

Miroto wil graag wat kwijt over de krismon, de monetaire crisis in Indonesië. Niemand kan de indringende gevolgen van de crisis ontkennen. Het dagelijkse leven is voor de doorsnee Indonesiër een vak onbetaalbare aangelegenheid. Miroto: ‘De situatie is in Jakarta zeer gespannen en op de rand van explosief. Iedereen is snel geïrriteerd en angstig. Niet hier, ver van de hoofdstad. Vooral op het platteland en bij ons in Banyuraden blijven de mensen zeer kalm en is er een gevoel van solidaire, morele steun voor elkaar om deze moeilijke tijd te doorstaan. Soms is er alleen rijst met sambal te eten en gaat men ‘s avonds hier achter tot aan de hals in het riviertje zitten om via urenlange meditatie de harde realiteit weg te denken. Misdaad en geweld zijn in de grote stad beduidend toegenomen. Juist in deze tijden vreet Bathara Kala zich vol.’

Gerard is choreograaf, docent en publicist van Netherlands-Indische komaf, met een internationale loopban als beroepdanser achter zich. In april speelt zijn eigen nieuwe voorstelling, geïnspireerd door zijn twee culturen achtergrond, door het land. Daar binnenkort meer over in Moesson.