De verborgen Erfenis van Danser en Choreograaf Gerard Mosterd


In 1985 studeerde Gerard Mosterd af aan de dansvakopleiding van het koninklijk Conservatorium in Den Haag onder de directie van Marian Sarstädt, (huidig) voormalig directrice van het Nederlands Dans Theater. In dat jaar begon hij een veelbewogen carrière als professioneel danser bij internationale topgezelschappen waaronder het London Festival Ballet, het Basel Ballet en het Koninklijk Ballet van Vlaanderen. De kleedkamer en het toneel delen met beroemde dansers als Nureyev en Baryshnikov behoorde voor hem tot de alledaagse gebeurtenissen. Sinds enkele jaren is hij, terug in Nederlands, aan de slag met het maken van moderne dansproducties en niet zonder enig succes. Hij heeft inmiddels zo’n acht stukken op zijn repertoire staan waarvan er enkele zijn genomineerd voor internationale choreografie concoursen.

Op de aankomende Pasar Malam Besar in Den Haag is wederom een nieuwe choreografie van zijn hand te zien. De nieuwe choreografie heet Angin en zal worden gedanst in het Bintangtheater op 15 en 16 juni door Shintaro O-Ue, ex-danser van het Nederlands Dans Theater. Tevens maakt Gerard deel uit van de jury voor de nationale talentenjacht die stichting Tong Tong dit jaar voor het eerst organiseert. Vorig jaar werd zijn choreografie Ketuk Tilu op diezelfde Pasar Malam Besar vertoond en trok behoorlijk wat bezoekers. In deze choreografie, gemaakt op Zuidwest-Javaanse jaipongan-muziek ga ik op zoek naar mijn ‘verborgen erfenis’. Daarbij maak ik intensief gebruik van moderne en academische danstechnieken over de complexe ritmestructuren heen van de op gamelan-instrumenten gespeelde jaipongan.

Jaipongan onstond als het Indonesische antwoord op de westerse rock and roll. Het is sensuele polyritmische dansmuziek en helaas veel minder bekend dan zijn statische en religieus geïnspireerde oudere broer genaamd gamelan. Het is een vernieuwende ontwikkeling gebasserd op het oudere Ketuk Tilu, een underground genre dat geassocieerd werd met prostitutie, door de ‘lichtzinnige’ dansen teksten van een zangeres en danseres, de ronggeng. President Soekarno stelde in de jaren zestig een verbod in dat het de Indonesiërs onmogelijk maakte om westerse muziek, zoal de indertijd als obsceen beschouwde rock and roll, te kopiëren.  Zodoende werd de jaipongan geboren in de regio Bandung door toedoen van de geniale drs. Gugum Gumbirah Tirasondaja.

PERFECTIONISTISCH

Ik heb vanuit de beweging gewerkt zonder de muziek uit het oog te verliezen. In mijn choreografie zijn diverse verwijzingen te vinden naar de rock and roll, een muziek- en dans-stijl die ook voor de indische gemeenschap in Nederland veel betekend heeft. Bijna elke Indische familie heeft wel een paar leden die gitaar spelen en die hebben hoogstwaarschijnlijk ook nog wat rock op het repertoire. Van mijn Indische ooms heb ik zelf gitaar leren spelen. Ik denk dat ik mijn danscarrière voor een groot deel te danken heb aan mijn gitaar. Die sleepte ik namelijk altijd mee in de kleedkamers van de Royal Albert Hall tot en met de Metropolitan Opera House. De gezelschappen waar ik bij danste, zoals het London Festival Ballet, deden excessief veel voorstellingen. Vijf jaren lang reisde ik door Groot-Brittannië van Bed & Breakfast naar Bed & Breakfast. Elke week een andere stad. Het was een extreem bestaan, omdat je soms maandenlang dezelfde voorstelling draaide, vaak twee voorstellingen per dag.  Maar soms ook: vijf verschillende avondvullende premiéres in één week.

Het dansersvak, vooral het prof balletcircuit waar ik vandaan kom, is een uiterst veeleisend en perfectionistisch bestaan. Soms denk je dat je een mooie voorstelling gedanst hebt, komt de balletmeester die je voorstelling gezien heeft je achteraf vertellen wat er niet goed aan was. Weg zelfvertrouwen. Op die manier hou je de meeste dansers onzeker, en dansers zijn bijna altijd onzeker over zichzelf en hoe ze eruit zien. De meeste anorexia en boulimie patiënten vind je niet voor niets in de danswereld. Welnu, mijn gitaar gidste me door dat onzekere bestaan. Tussen de bedrijven door speelde ik gitaar of gaf les aan collega’s. Ik kon en kan nog steeds boven de middelmaat spelen, het is en blijft een rustgevende meditatie voor me. De rust en het zelfvertrouwen die het me brengt, heeft me geholpen bij het beklimmen van het voor het ballet nog altijd belangrijke hiërarchische systeem.

OPGESLOTEN

Als solist van indertijd een van’s werelds topgezelschappen beleefde ik een ongelooflijke tijd. Inmiddels realiseer ik me hoe bijzonder dat geweest is. Ondanks de aanlokkelijke wereldtournees, toptheaters en celebrities betekende het vooral: hard en gedisciplineerd werken. Om een voorbeeld te geven: ik heb in de tijd dat ik in Londen en later Parijs woonde en werkte, bijna niets van deze wereldsteden kunnen zien, omdat ik al mijn tijd kwijt was aan repeteren, reizen en performen. In tegenstelling to de andere gezelschappen in Parijs, Antwerpen, Basel en Ulm waar ik deel van uitmaakte, deed het Londen Festival Ballet aan seizoenen van wel 260 voorstellingen per jaar.

Ik heb zelfs een keer opgesloten gezeten in het oude Londense Sadler’s Wells Theatre, na de premiére van een modern stuk. Het was een heel surrealistich stuk van de excentrieke Lindsay Kemp en choreograaf Christopher Bruce. Iedereen was in een roes. Als laatse bleef ik achter in de douche. Toen ik eruit kwam, was iedereen weg en alles afgesloten. De enige manier om het gebouw uit te komen was van de derde verdieping springen oftewel een botbreuk oplopen. Ik heb me toen uitgeleefd op het instrumentarium in de orkestbak en ben uitgerost in slaap gevallen tussen de decors op het toneel. Als je professioneel danser wilt worden, moer je echt een behoorlijk bezeren gek zijn.

SERGEANT-MAJOOR FLOHR

Steultelfiguur voor mijn danscarrière is mijn in Medan geboren Indische moeder gewest. Zij heeft, zoals zovelen uit haar generatie, haar artistieke talenten niet kunnen ontplooien door de oorlog en de armoede. Zij komt uit een groot katholiek gezin dat in 1950 naar Nederland emigreerde. ik ben in een gelukkiger, welvarender generatie geboren, waarbij geen oorlog en honger uit eigen ervaring bekend is. De heftige verhaken van mijn opa die het beruchte Japanse kamp aan de Kwai overleefd heeft, hebben wel een bijzondere indruk op mij achtergelaten. Ik hoorde dat hij op 15 augustus altijd moest huilen. Na de mediaberichten over Vietnam, Cambodja, Ruanda, Srebenica en Kosovo begrijp ik ietsje beter uit welk een tijd en omgeving deze man te voorschijn is gekomen. De spannende verhalen die hij me als kind vertelde, hebben me geïnspireerd tot het maken van een danssolo.

Vorig jaar was deze te zien op de Pasar Malam Besar. Het was de middelste solo uit Ketuk Tilu, gedanst door Adva Zakai. Hiervoor heb ik een geluidsopname gebruikt van een Balische dalang vertelling. In deze inleiding tot het Ramayana-verhaal verwijst de dalang regelmatig op humoristische wijze in zijn tekst naar de huidige werkelijkheid. Fictie en non-fictie lopen voortdurend door elkar heen. Gruwelijke een humoristische anekdotes. De stem is precies die van mijn opa zoals ik hem gekend heb, dezelfde schuddenbuikende exotische lach maar ook het (trieste) mysterie in zijn verhaal. Hij sprak over een land en een periode die op mij indertijd fictief over kwamen. De gruwelijke kampverhalen kon ik als klein kind niet bevatten en toch vertelde hij ze met een glimlach. Na de Japanse bezetring weigerde hij om het geweer op zijn landgenoten te richten en hij verkoos emigratie naar Nederland met zijn gezin. Deze danssolo is voor mij een emotionele herinnering aan mijn grootvader, ex-KNIL-sergeant-majoor Flohr.

Foto: Bill Cooper

EEN INTERCULTUREEL ROMEO EN JULIA-AVONTUUR

Sinds ik na elf jaren internationale danspraktijk besloten heb om niet meer als danser werkzaam te zijn voor ‘balletfabrieken’ en voor het onzekere freelance bestaan gekozen heb, heb ik automatisch de luxe van mijn danscarrière moeten inleveren voor het knokken voor (zeer) weinig geld. De druk van het low budget dwingt me om de meest creatieve oplossingen te vinden, net als mijn Indische familie tijdens en na de oorlog. De meeste Indische mensen die ik bezaten in Indië niks en daarom zijn ze volgens mij zo buitengewoon creatief. Zelfs hun oorspronkelijke land, Indië, zijn ze kwijtgeraakt, maar waarschijnlijk niet in hun verbeelding. Mijn vader, een blonde, blauwogige viking met Friese roots, heeft zoals de rest van zijn generatie ook vanuit de oorlogsruïnes een eigen bestaan moeten opbouwen. Als hervormde, nuchtere, hardwerkende groenteman leerde hij begin jaren zestig mijn exotische moeder kennen tijdens het straatventen in de Amersfoortse Primulastraat.
Dit interculturele Romeo en Julia-avontuur heeft mij tot gevolg gehad en later nog een broertje en zusje.

PROZA EN POËZIE

Om als Nederlander Indische invloeden te hebben, geeft je toch een iets andere kijk op het Nederlander-zijn. Als ik vroeger onverwacht bij Nederlandse vriendjes op bezoek kwam, moest ik netjes wachten tot men klaar was met eten. Bij mijn Indische familie kwam je nooit ongelegen en er was altijd wel een manier om je mee te laten eten. Na het eten werd er vaak nog gezellig gemusiceerd en gelachen. Deze warme, gezellige, open en makkelijke instelling miste ik helaas nogal oens bij mijn Hollandse vriendjes en kennissen. Ook is het me opgevallen dat Indische families vaak een hecht dan-gevoel hebben in contrast met Hollandse families waarbij eenieder uiteindelijk zijn eigen weg gaat. Het gevoel voor mystiek, niet te verwarren met bijgelovigheid, spreekt mij bij Indische mensen altijd aan. De onbevooroordeelde gedachte dat er meer is dan je in eerste instantie met je blote oog kunt waarnemen, en de acceptatie dat leven en dood zoals dag en nacht onderdeel van een groter mysterie zijn. De beruchte Nederlandse nuchterheid zegt me ook wel iets, maar ik verkies toch de poëzie boven het proza.

Misschien begeef ik me daarom wel beroepsmatig op artistiek terrein. Misschien om de harde, nuchtere realiteit te ontvluchten. Ik kan en wil me niet voorstellen dat alles alleen maar om macht, geld en seks draait ook al geven de media me die indruk. Merkwaardig genoeg draait het in de danswereld, vooral onder degenen die het voor het zeggen hebben juist wel om macht, geld en seks.

Ik ben als elfjarig jongetje begonen met balletlessen en kwam er snel achter dat het dansvak een zwaar en hard vak is. Daar komt nog bij dat het hedendaagse Westerse danscircuit voortkomt uit het feodale hof van de despotische koning Lodewijk de XIV de. Dat was een periode van corruptie en manipulatie. Wat dat betreft, is er weinig veranderd.

Gerard Mosterd’s bijnaam bij de London Festival Ballet was ‘the Flying Dutchman’. Foto: Erwin Flohr.

ONTSNAPPEN AAN DE WERKELIJKHEID

Voor mij is dans poëzie. Het is geen intellectuele kunstvorm, maar een intuïtieve communicatievorm. Net als muziek gevoel en verbeelding stimuleert, zo kan geïnspireerde lichamelijke beweging hetzelfde resultaat bereiken bij een daarvoor gevoelig publiek. Drie jaar geleden zag ik in Amsterdam een Balische dansgroep aan het werk. Het grootste deel van het jaar werken deze topkunstenaars thuis als taxichauffeur, in een hotel of op de rijstvelden, totdat ze enkele maanden op tournee gaan naar het Westen. Typisch, kunst is daar op vanzelfsprekende wijze veel meer geïntegreerd in het gewone dagelijkse leven. De ademhenemende devotie waarme de muzikanten aan het begin van hun voorstelling tijdens het wierookbranden achter hun gamelan plaats namen, veroorzaakte bij mij een emotionele schokgolf. De rituele, volkomen overgave van muzikanten en later dansers aan het ‘heilige’ moment van de voorstelling vond ik een zeer geslaagde en overtuigende ontsnapping aan de dagelijkse werkelijkheid. Er werd werkelijk met hart en ziel gedanst en gespeeld via een zeer verfijnde techniek en traditie. Gedurende de hele voorstelling beleefde ik die totale audiovisuele ervaring in extatische ontroering.  Dergelijke voorstellingen kom ik niet aan de lopende band tegen. Merkwaardigerwijze zijn het bij mij wel vaak niet-westerse voorstellingen die me zo aangrijpen.

LANGZAAM

Voorstellingen die ik tijdens tournees in Azië heb gezien – zoals het Cloud Gate Dance Theatre in Taipei, Peking Opera of de Staatsballetschool in Shanghai, die tussen het klassieke repertoire door een traditioneel Chinees stuk presenteerden – hebben me ook diezelfde kippenvel bezorgd. Net als bij Japanse Butôhdans lijkt het erop alsof veel Aziatische bewegingsvormen beginnen van uit een innerlijke ‘stilte’ die een geconcentreerde en meditatieve kwaliteit bewerkstelligt. De mogelijkheden van dergelijke trage bewegingsaflopen heb ik tot nu toe altijd in mijn stukken geprobeerd te onderzoeken. Ook in Angin komt zo’n tijdloze bewegingsafloop voor. Het druist in principe tegen de rusteloze en snelle Westerse tijdgeest in. Maar door zo veel tijd te nemen voor het uitvoeren van een beweging ontstaat er wel een verdiepende indruk die ook meer van de toeschouwer eist. Tijdens de voorstelling van Ketuk Tilu vorig jaar op de Pasar, die ook met een langzaam stuk beweging begon – refererend aan het langzame tempo der tropen – wisten sommige mensen in het publiek zich geen raad en liepen daadwerkelijk het theater uit. Deze keer zal het publiek voor Angin vriendelijk verzocht worden om tijdens de voorstelling te blijven zitten. Angin onderzoekt geabstraheerd de vraagstukken van iemand met een bi-culturele achtergrond. Ik heb dit stuk wat betreft ruimtegebruik en dansmateriaal voor de Pasar aangepast. Het beloven in elk geval spannende voorstellingen te worden.